G7-interventie: centrale banken schieten de zwakke euro te hulp
Op 22 september 2000 kochten de ECB en de centrale banken van de VS, Japan, het Verenigd Koninkrijk en Canada samen euro's om de snel dalende munt te steunen. Het gaf de euro tijdelijk lucht, maar een maand later bereikte hij toch zijn laagste stand ooit.
Kernfeiten
- Datum
- 22 september 2000
- Betrokken
- ECB, Fed, Bank of Japan, Bank of England, Bank of Canada
- Tweede ingreep
- November 2000, ECB alleen
- Dieptepunt euro
- Eind oktober 2000, circa 0,83 dollar
Effect op de EUR/USD koers
Uitgangspunt: 0,8558 dollar per euro op 21 september 2000, de laatste handelsdag vóór de gebeurtenis.
- 1 week later
- 0,8837
- +3,26%
- 1 maand later
- 0,8400
- −1,85%
- 3 maanden later
- 0,9230
- +7,85%
- 1 jaar later
- 0,9099
- +6,32%
Positief = de euro werd meer dollar waard. Koersen zijn officiële dagkoersen; tijdens de handelsdag kunnen de uitschieters groter zijn geweest. Bekijk de koers op 21 sep 2000
Een euro in vrije val
De euro begon in januari 1999 op ongeveer 1,18 dollar, maar daarna ging het vrijwel alleen maar omlaag. Begin 2000 zakte de munt onder de 1 dollar en in september 2000 stond hij nog maar rond de 0,85 dollar. De Amerikaanse economie groeide in die jaren veel harder dan de Europese, de Amerikaanse rente lag hoger en beleggers stroomden naar Amerikaanse aandelen, vooral in de technologiesector.
De zwakke euro werd steeds meer een probleem. Hij maakte geïmporteerde olie, die in dollars wordt afgerekend, extra duur in een periode waarin de olieprijs al hoog was. Bovendien tastte de koersval het vertrouwen in de jonge munt aan.
De gezamenlijke interventie
Op vrijdag 22 september 2000 grepen de ECB, de Federal Reserve, de Bank of Japan, de Bank of England en de Bank of Canada gezamenlijk in op de valutamarkt. Ze kochten euro's en verkochten dollars en andere munten. Het was voor het eerst dat de ECB op de valutamarkt intervenieerde.
De markt reageerde direct. Volgens de middagkoersen van de Federal Reserve ging EUR/USD van ongeveer 0,856 dollar op 21 september naar bijna 0,88 dollar op 22 september.
Toch een nieuw dieptepunt
Het effect was van korte duur. In oktober daalde de euro opnieuw, en eind oktober 2000 bereikte hij zijn laagste stand sinds de invoering: rond de 0,82 à 0,83 dollar, afhankelijk van de bron. Omgerekend kostte een dollar toen zo'n 2,66 gulden, tegen ongeveer 1,87 gulden bij de start van de euro.
Begin november 2000 greep de ECB daarom nog eens in, dit keer op eigen houtje. Daarna stabiliseerde de koers. Pas in de loop van 2002 kwam er een duidelijk herstel, toen de Amerikaanse economie haperde en de dollar aan populariteit inboette.
Wat het betekende voor Nederlanders
Voor Nederlandse exporteurs was de goedkope euro gunstig: hun producten werden goedkoper buiten Europa. Voor consumenten en vakantiegangers was het minder prettig. Een reis naar de Verenigde Staten werd flink duurder, net als benzine. Wie spaargeld in dollars had, zag de waarde daarvan in euro's en guldens juist stijgen. De interventie liet ook zien dat centrale banken een koers wel even kunnen bijsturen, maar zelden een trend kunnen keren die door de economische verhoudingen wordt gedreven.