Naar inhoud
$usdollar.nl
Euro

Introductie van de euro als giraal betaalmiddel

Op 1 januari 1999 werd de euro de officiële munt van elf EU-landen, voorlopig alleen giraal. Op 4 januari stelde de ECB de eerste referentiekoers vast: 1,1789 dollar per euro.

Kernfeiten

Invoering
1 januari 1999 (giraal)
Eerste ECB-referentiekoers
1,1789 dollar (4 januari 1999)
Deelnemende landen bij start
11
Omrekenkoers gulden
1 euro = 2,20371 gulden
Eurolanden nu
21 (sinds 1 januari 2026)

Een nieuwe munt zonder munten

Op 1 januari 1999 ging de Economische en Monetaire Unie (EMU) haar derde fase in. Vanaf die dag was de euro de officiële munt van België, Duitsland, Finland, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Spanje. Munten en biljetten bestonden nog niet: de euro werd eerst alleen gebruikt op de financiële markten, bij girale betalingen en in de boekhouding van bedrijven en overheden.

De nationale munten bleven tot 2002 in omloop, maar waren vanaf dat moment slechts een vaste onderverdeling van de euro. Op 31 december 1998 waren de onherroepelijke omrekenkoersen vastgelegd. Voor Nederland werd dat 1 euro = 2,20371 gulden.

Wie in 1999 een dollar kocht, rekende dus indirect in guldens: bij een koers van 1,18 dollar per euro kostte een dollar omgerekend ongeveer 1,87 gulden. Veel Nederlanders bleven nog jaren in guldens denken, ook toen de euro allang in de portemonnee zat.

De eerste koers tegenover de dollar

Omdat 1 januari een feestdag was, begon de handel in de euro op maandag 4 januari 1999. De Europese Centrale Bank (ECB) stelde die dag haar eerste referentiekoers vast op 1,1789 dollar per euro.

In de loop van 1999 verloor de euro flink terrein. De Amerikaanse economie groeide in hoog tempo, terwijl de groei in de eurozone achterbleef. Eind 1999 stond de euro vlak boven de 1 dollar en in 2000 zakte hij er ruim onder. Het dieptepunt volgde in oktober 2000.

Van Maastricht naar de euro

De basis voor de euro werd gelegd in het Verdrag van Maastricht, dat in 1992 werd ondertekend. Landen die wilden meedoen moesten voldoen aan de zogenoemde convergentiecriteria, onder meer voor inflatie, rente, overheidstekort en staatsschuld. Sinds 1 juni 1998 voert de ECB in Frankfurt het monetaire beleid voor de hele eurozone.

Om de begrotingsdiscipline ook na de invoering te bewaken, werd in 1997 het Stabiliteits- en Groeipact afgesproken. Daarin staat onder meer dat eurolanden hun begrotingstekort onder de 3 procent van het bbp moeten houden. De ECB kreeg een duidelijk hoofddoel mee: prijsstabiliteit in de hele eurozone.

De eurozone groeide verder

Na de start sloten steeds meer landen zich aan: Griekenland in 2001, gevolgd door onder meer Slovenië, Cyprus, Malta, Slowakije, Estland, Letland, Litouwen en in 2023 Kroatië. Op 1 januari 2026 voerde Bulgarije de euro in. Daarmee betalen nu 21 van de 27 EU-lidstaten met de euro, die na de dollar de belangrijkste reservemunt ter wereld is.

Bronnen